Noteren van obligaties

Je kan obligaties kopen op het ogenblik dat een onderneming of een overheid beslist om er uit te geven. Je koopt ze dan op de primaire markt. Je kan ook obligaties kopen die al een tijd geleden zijn uitgegeven: je koopt ze dan niet van de onderneming of de overheid zelf, maar van iemand die zijn obligaties wenst te verkopen. In dit geval koop je ze op de secundaire markt.

Kopen op de primaire of secundaire markt

Obligaties kopen of verkopen doe je bijna altijd via je bankier of financieel tussenpersoon. Vraag hem daarom voldoende informatie over wat je precies koopt en hoe het betrokken product precies werkt.

Als een obligatie voor de eerste keer wordt uitgegeven, krijgt ze een waarde toegekend. Dit is haar 'nominale waarde'. De nominale waarde is niet altijd de som die je effectief moet betalen om de obligatie te kunnen kopen. Het is best mogelijk dat je iets meer of iets minder dan de nominale waarde moet betalen. De prijs die je moet betalen voor de obligatie, wordt de uitgifteprijs genoemd. Voorbeeld: de nominale waarde van de obligatie is 1 000 euro, maar de uitgifteprijs is 1 010 euro. Het verschil van 10 euro is een 'uitgiftepremie' van 1 %.

Op de eindvervaldag krijg je je geld terugbetaald. Het terugbetaalde bedrag is meestal wel de nominale waarde. In sommige gevallen krijg je bij terugbetaling een supplementje: de 'terugbetalingspremie'.

Je kan obligaties ook via de beurs overkopen van iemand anders. In dat geval koop je op de secundaire markt. De prijs die je op de secundaire markt voor een obligatie betaalt, hangt af van de wet van vraag en aanbod.

De koers: onder en boven pari

De beurskoers van een obligatie wordt steeds uitgedrukt als een percentage van de nominale waarde. Als een obligatie met een nominale waarde van 2 000 euro noteert aan 104 %, wil dat zeggen dat je 2 080 euro moet betalen om die obligatie te kopen.
Een obligatie die boven de 100 noteert, noteert 'boven pari' en een obligatie die onder de 100 noteert, noteert 'onder pari'. 

Gelopen intrest

Als je bv. een obligatie met 4 % intrest van 1 000 euro tegen pari – aan 100 % dus - koopt, zal je nog de gelopen intrest moeten bijbetalen ten belope van de gecumuleerde gelopen intrest tussen twee rentevervaldatums.

Wat houdt dat in? Stel dat je op 1 juni bovenstaande obligatie koopt die 1 januari als coupondatum heeft. Er is dan een gelopen intrest van 6 maanden. De verkoper van de obligatie heeft recht op die 6 maanden intrest omdat hij de obligatie zo lang in het bezit heeft gehad. In ons voorbeeld zal de koper dus 20 euro gelopen intrest moeten betalen aan de verkoper. De verkoper zal dan die 20 euro, min de roerende voorheffing daarop, ontvangen. Let op! Alle obligaties noteren aan een prijs die geen rekening houdt met die gelopen intrest. Als je beslist om een obligatie te kopen, moet je dus rekening houden met de prijs, de looptijd, de rating, de geadverteerde intrestvoet én de gelopen intrest ervan.

De Wikifin-tips

  • Je kan obligaties kopen wanneer ze worden uitgegeven (primaire markt), of je kan ze nadien op de beurs kopen (en verkopen) (secundaire markt).
  • Zoals bij aandelen, schommelt de waarde van obligaties op de beurs volgens vraag en aanbod. De koersschommelingen van obligaties zijn doorgaans kleiner dan die van aandelen.
  • De uitgifteprijs van obligaties kan verschillen van de nominale waarde. Is de uitgifteprijs hoger dan de nominale waarde, dan is er sprake van een uitgifte boven pari. In dat geval daalt je rendement, want je betaalt méér dan de nominale waarde, die je zal terugkrijgen op de eindvervaldag. Ga na of de intresten dit verlies voldoende compenseren.